Geschiedenis



De staalsnarige gitaren

Alle staalsnarige gitaren hebben een Amerikaanse oorsprong, en kwamen aan het eind van de 19e eeuw en het begin van de 20e eeuw tot ontwikkeling. In staalsnarige gitaren maken we onderscheid tussen archetop (gitaar met gewelfd bovenblad) en flattop (gitaar met een vlak bovenblad). Orville Gibson (1856-1918) heeft de belangrijkste bijdrage geleverd aan de ontwikkeling van de archetop. In zijn vrijetijd verbeterde hij gitaren en mandolines door een aantal vioolkenmerken te gebruiken. Met de invoering van een uitgesneden bovenblad en achterblad begon de ontwikkeling van de archetop. In plaats van zijde of darm snaren gebruikte hij staalsnaren. In 1894 begon hij zijn eenmanszaak en in 1902 vestigde hij zich in Kalamazoo. Er werden nieuwe ontwerpen gemaakt met schuin aflopende halzen, hoge kammen en snaarhouders in de vorm van een trapezium. In 1924 onwikkelde Gibson de L-5 waar ook f-gaten (van een viool) werden gebruikt en voor zover bekend het eerste element. De archetop werd geweldig populair maar tijdens 1941-1945 werden gitaarfabrieken gebruikt voor oorlogsindustrie. Dit zorgde er voor dat na de oorlog de populariteit enorm was gedaald.

De flattop ontwikkelde zich onafhankelijk van de akoestische gitaar. De oorsprong van dit type gitaar ligt bij een andere Amerikaanse fabrikant Martin. De geschiedenis van deze firma omspant de hele ontwikkelingsperiode van de Amerikaanse akoestische gitaar. De oprichter C.F. Martin ontwikkelde het X-vormige patroon van zangbalkjes welke tegenwoordig als standaard wordt gebruikt. De eerste staalsnarige modellen van Martin werden in opdracht gemaakt en pas in 1922 werd een standaardmodel in productie genomen. Het overgaan van darmsnaren naar staalsnaren bracht geen zichtbare veranderingen met zich mee.

Aan de binnenkant was tegen het bovenblad een zwaarder systeem van zangbalkjes aangebracht en ook was het aantal balkjes toegenomen. De reputatie en de vraag naar de instrumenten van Gibson als die van Martin vroegen om een andere productiemethode. Beide firma’s werden van kleine ateliers grote gitaarfabrieken. De vraag steeg met name omdat muziekstromingen deze staalsnarige gitaren wilden gebruiken zoals; blues-, folk-, blues- en countrymuziek. Door het succes van beide bedrijven werden anderen ook op de gedachte gebracht gitaren te gaan produceren. Zo ontstonden o.a. Washburn, Harmony, Stella, Guild en Ovation.

Het Japanse bedrijf Yamaha werd een geduchte concurrent. Zowel Martin als Gibson wilde hun naam niet geven aan goedkope gitaren en kochten buitenlandse fabrieken om dit marktsegement wel te kunnen bedienen. Martin kocht de Levin-fabriek in Zweden op en Gibson liet onder de naam Epiphone in Japan gitaren bouwen.



Naast de archetop en de flattop ontstonden er twee andere varianten;

1. Dobro- of resonatorgitaar.

Het doel van de resonatorgitaar was een sterker volume te verkijgen. Bij de resonatorgitaar lopen de snaren over een kam die gedragen wordt door een aluminium ‘spin’ en die de trillingen overbrengt op een dunne resonator van aluminiumdraad binnen in de klankkast.

2. Twaalfsnarige gitaar
Deze werd vanuit Mexico naar Noord-Amerika gebracht. Bijna alle twaalfsnarige gitaren hebben vlakke bovenbladen. Door de twaalf snaren krijgt de gitaar een zeer volle klank maar is daardoor wel moeilijker te bespelen. Ook de grotere snaarspanning vraagt om een stevigere constructie. Het instrument werd door sommige musici bespeeld maar kreeg nooit een grote populariteit.

is een initiatief van Stichting Muziek Promotie Nederland
tips | contact | adverteren | bronnen | algemene voorwaarden