Muziekgeschiedenis

De vroeg - Christelijke kerkmuziek


De melodieën van de vroeg-Christelijke gezangen waren overwegend van joodssynagogale oorsprong; begrijpelijk, want de eerste Christenen waren merendeels Joden. Daar er op den duur in de verschillende landen veel verwarring ontstond over de te gebruiken gezangen heeft Paus Gregorius de Grote (paus van 590 tot 604) de talrijke gezangen voor de r.k. eredienst geselecteerd en geordend en daardoor eenheid gebracht in de r.k. kerkmuziek. Naar hem wordt deze muziek het 'gregoriaans' genoemd.

De belangrijkste kenmerken van het 'gregoriaans' zijn:
- de zang is eenstemmig zonder instrumentale begeleiding
- de ritmiek is 'vrijzwevend' en niet aan enige maatsoort gebonden.

De vroeg- middeleeuwse volksmuzlek

In Noord-Europa waren de barden en skalden (rondreizende dichter-zangercomponisten) graag geziene gasten aan de Germaanse en Keltische vorstenhoven. In hun liederen bezongen zij vooral de oude heldensagen en de roemrijke daden van de vorsten.

De volksmuziek in de vroege middeleeuwen bestond voornamelijk uit liederen met godsdienstige of wereldlijke inhoud. Dichter en/of componist van deze liederen zijn meestal onbekend; het zijn melodieën die in en door het volk zijn ontstaan en door mondelinge overlevering in de loop der tijden zijn vereenvoudigd tot gemakkelijk zingbare, goed in het gehoor liggende muziek die een afspiegeling is van het muzikale volkskarakter.

De voornaamste kenmerken van het volkslied zijn:

- eenvoudige liedvorm
- alle strofen op dezelfde melodie

In het volkslied onderscheiden we:
- het geestelijk volkslied: Kerst-, Paas-, Passie- en Marialiederen
- het wereldlijk volkslied: verhalende liederen, arbeids-, liefdes-, natuur-, drink- en dansliederen.
Troubadours, trouvères en Minnesänger (900-1250)

De muzikale ontwikkelingen in de 10de, 11de en 12de eeuw worden vooral gekenmerkt door:

- de eerste verschijnselen en ontwikkeling van de meerstemmige muziek.
- de ontwikkeling van een weliswaar primitief, doch reeds bruikbaar muziekschrift.
- de opbloei van het kunstlied door de troubadours in Zuid-Frankrijk, de trouveres in Noord-Frankrijk en de Minnesanger in Duitsland.

Dank zij het primitieve muziekschrift is een aantal liederen uit deze tijd bewaard gebleven; zij zijn te onderscheiden in: minneliederen, kruistochtliederen, verhalende liederen en dansliederen.

De troubadours waren veelal van adellijke afkomst; deze dichter-componisten hadden gewoonlijk een minstreel in hun dienst om de troubadoursliederen voor te dragen. Bekende troubadours waren o.a. graaf Willem van Poitiers (10871127) en Richard Leeuwenhart.

De beroemdste trouvere was Adam de la Halle* (1210-1286). Van de Minnesainger waren Walther von der Vogelweide (1170-1230) en Neidhardt von Reuenthal* (13de eeuw) twee van de beroemdste vertegenwoordigers.

Onder het gewone volk waren de liederen van de jongleurs (musicerende, acrobatische potsenmakers) zeer in trek, tot groot misnoegen van de geestelijkheid die de bedenkelijke inhoud van de jongleursliederen maar matig konden waarderen.

Ook de vaganten (rondzwervende, soms gesjeesde, priester-studenten) stonden vanwege hun hekel- en spotliederen op kerkelijke en wereldlijke hoogwaardigheidsbekleders, slecht aangeschreven bij de overheid.
< volgende pagina

is een initiatief van Stichting Muziek Promotie Nederland
tips | contact | adverteren | bronnen | algemene voorwaarden