Tooncancellade


Tooncancellade

Als de windlade-oppervlakte een rechthoek is, dan wordt deze in lengterichting verdeeld in evenveel cancellen (compartimenten), als er toetsen op het klavier zijn. Aan de onderzijde in elke cancel bevindt zich een sleuf voor het toelaten van de wind. Deze sleuf wordt afgedicht door een iets groter, beleerd plankje (het ventiel) dat door het neerdrukken van de toets wordt geopend. Al deze ventielen bevinden zich in een luchtdichte kas (ventielen- of kleppenkast) genaamd, waaraan het windkanaal is bevestigd, waardoor de wind binnengeleid wordt. De ventielveer sluit het ventiel nadat de toets losgelaten wordt. Het opentrekken geschiedt door een draad, die door de onderste plank van de ventiel(en)kast gaat, zonder windverlies te veroorzaken.

De hier beschreven windlade is de zgn. blokwerklade, deze laat geen registerkeuze toe, maar een constant ‘volle werk’ leverde. Om selectief over de registers te kunnen beschikken moet er dus op één lijn een voor alle cancellen onderbrekingsmogelijkheid in of onder de pijpgaten zijn. Door in alle cancellen tegelijk een rij ventielen te openen of te sluiten ontstond destijds de springlade. Een eenvoudiger constructie die nog steeds gebouwd wordt is de sleeplade. Hierbij is de middelste van drie doorboorde houten delen de sleep (een soort liniaal) iets verschoven kan worden, waardoor de doorboring a.h.w. verstopt raakt. De afstand tussen de gaten in de sleep wordt bepaald door de wijdte van de cancellen. In de nieuwere orgels heeft ieder klavier niet altijd zijn eigen windlade.




is een initiatief van Stichting Muziek Promotie Nederland
tips | contact | adverteren | bronnen | algemene voorwaarden