|
|
het tot spreken komen van een pijp.
Absorptie
"opslorping" van het geluid door zachte stoffen als pluche, gordijnen, zachtboard, zandsteen, etc.
Abstract(en)
dunne latjes met aan de uiteinden een metalen haak of oog, die zo verbonden worden met de tuimelaar en/of de wel.
Akoestiek
de leer van de gedragingen en wetten van het geluid. Aliquot, enkelvoudige vulstem.
Amplitudo
trillingswijdte. Zoals klokslingers verschillende slingerwijdten hebben, kunnen geluidgevende voorwerpen verschillende trillingswijdten hebben. De omringende lucht wordt daardoor in sterker of zwakker golvende beweging gebracht, wat de sterkte van het geluid bepaalt.
Baarden
kleine metalen of houten delen die bij het labium van een metalen c.q. houten orgelpijp worden aangebracht. Zij dienen om de luchtstroom uit de kernspleet te richten en de aanspraak gunstig te beïnvloeden. Beweegbare zijbaarden (metalen dus) kunnen ook als middel dienen voor het bijstemmen van de pijp.
Baarpijp
een open, conische labiaalstem, welke door timbre en volume goed als basisstem kan fungeren. De naam is verwant aan Barpfeife en werd vroeger ook gebruikt voor een zeer wijd, kortbekerig, halfgedekt tongwerk, een soort Vox Humana.
Bakstukken
de blokjes hout aan weerszijden van een manuaal.
Balansklavier
klavier, bestaande uit toetsen waarvan het steunpunt (het draaipunt) zich ongeveer in het midden bevindt.
Balg
windpompinrichting en/of windreservoir van het orgel, vroeger gemaakt van dierenhuid, later van hout en leder in de vorm van de oude smidsbalg en voorts geperfectioneerd in keilbalg, magazijnbalg met horizontaal opkomend bovenblad (zie ook: Regulateurbalg) .
Bas
linkergedeelte van het klavier, vanaf de laagste toets van het klavier tot cl tot cis~. Basson, fagotachtige tongstem, 16' en 8', met eng gemensureerde trechtervormige.schalbeker; ook met normale mensuur bij cilindrische beker.
Bazuin
wijd gemensureerd tongwerk, met trechtervormige schalbeker in 32' en 16'. Sterke stem met trompetkarakter, voor het pedaal.
Bek
gedeelte van de labiaalpijp, waar het geluid ontstaat. Bestaat uit boven- en onderlabium en kern.
Blokfluit
conische labiaalstem, gewoonlijk in 4' en 2'.
Blokwerklade
tooncancellade zonder slepen. Door het neerdrukken van een toets krijgt de wind toegang tot de tooncancel, waardoor alle op deze cancel staande pijpen gaan spreken.
Borstwerk
windlade met pijpwerk en mechaniek, geregeerd door een apart klavier. Het is onder het hoofdwerk geplaatst, even boven de klavieren, een weinig hoger dan de borst van de organist.
Bourdon
een gedekte stem van normale mensuur en ronde, zachte toon. Meestal in 16' of 8'.
Bovenlabium
gedeelte van het pijpcorpus boven de kernspleet. Tegen de scherpe kant van dit labium wordt de wind uit de kernspleet komend gekliefd en ontstaat de toon. Boventonen, ook wel harmonischen genoemd, zijn de in de natuur
gegeven, met een grondtoon meeklinkende, hogere tonen.
Bovenwerk
windlade met pijpwerk en mechaniek, geregeerd door een apart klavier. Het is boven het hoofdwerk geplaatst.
Bureau-orgel
antiek huisorgel met het uiterlijk van een 18e-ecuws of vroeg- 19e-eeuws schrijfbureau.
Bijspraak
het meespreken van een op dat moment niet gewenste toon; doordat de orgelwind onder de sleep of de pijpenstok doorstroomt, krijgen een of meer pijpen op een ongewenst moment wind.
Calcant
balgentreder, orgeltrapper. Ook de registerknop, waardoor d.m.v. een daaraan verbonden bel de balgentreder(s) gewaarschuwd werd(en) om met het "pompen" te beginnen.
Cancel
langwerpig vak of koker in de windlade, waarop of alle pijpen staan die tot een toets behoren (tooncancel), of alle pijpen die tot een register behoren (registercancel).
Cink of Zink
tongwerk met trechtervormige bekers in (8', 4' en) 2'. Komt als pedaalstem voor.
C-lade
windlade waarop de pijpen in hele toonsafstanden staan.
Cis-lade
windlade waarop de pijpen in hele toonsafstanden staan
Conische pijpen
pijpen waarvan de bovendoorsnede kleiner is dan de doorsnede bij de kern. Komen zowel open als gedekt voor.
Coppeldoeff
oudhollandse naam voor de Octaaf 4' (men zou kunnen zeggen het bovenoctaaf van de Prestant 8', de Doeff).
Cornet
niet repeterende, samengestelde vulstem (3, 4, 5, 6 sterk) van wijde mensuur, hoofdzakelijk als melodievoerende stem bedoeld. Een discantstem op een verhoogde pijpenstok direkt achter het front. Tot de samenstelling behoort een Terts. Ook de naam van een pedaaltongwerk 4' en 2'.
Corpus
gedeelte van de orgelpijp boven de kern, waarin de luchtkolom in trilling wordt gebracht.
Cilindrische pijpen
pijpen waarvan het corpus cilindervormig is. Ze komen als open, gedekte en halfgedekte pijpen voor.
Cymbel
een samengestelde vulstem van pijpen in kleine voetmaat, prestantmensuur, repeterend. Men kent de quint-octaaf cymbel: de tertscymbel en de quart-sext-cymbel. Cymbelster, ronddraaiende ster in orgelfront; aan de achterzijde van het asje zitten schoepen die door orgelwind roterend, kleine klokjes doen klinken.
|