|
|
Kamertoon
toonhoogte die men in oude orgels kan aantreffen. Een halve toon beneden normaal.
Kastbaarden
baarden, opzij en onder de opsnede aangebracht.
Kegel
kegelvormig gedraaid stukje hout, aan de kegelzijde beleerd; dient bij de kegellade tot afsluiting tussen cancel en pijpgat.
Kegellade
windlade, waarbij de toevoer van de wind vanuit de cancel naar de pijp geschiedt door middel van het oplichten van een kegel. Het oplichten van de kegel vindt plaats d.m.v. een membraan, of langs mechanische weg. Wordt niet meer gebouwd.
Keilbalg
tot in het midden van de vorige eeuw de meest gebruikte balg in de Nederlandse kerkorgels. De combinatie van enige van deze balgen (ook spaanbalgen genoemd) leverde, mits goed getreden, het orgel de wind op zo'n wijze, dat er geen starre doch een levendige toon ontstond. De laatste jaren (ca. 1976) maakt deze balg zijn rentree.
Kern
liggend metalen plaatje of houtblokje in de pijp bij het onderlabium, die de voet op de kernspleet na afsluit.
Kernspleet
opening tussen het onderlabium en de kern.
Kernsteken
inkepingen in de kernrand. De klank wordt er doffer door, doch de pijp spreekt sneller aan.
Klarinet
cilindrisch tongwerk (meestal met doorslaande tongen) in 16' of 8'. Weke, volle toon.
Klaroen
trompet voor het pedaal in 4' of 2'.
Klavierraam
raamwerk, waarin metalen stiften zijn aangebracht en waarop de toetsen steunen, die door de stiften op hun plaats blijven.
Kleppenkast
bij tooncancelladen de kast, waarin de speelventielen zijn aangebracht; bij registercancelladen de kast, waarin de registerafsluitkleppen zijn aangebracht. Kleppenkast wordt bij mechanische orgels dikwijls ventielenkast genoemd.
Knik
ook drukpunt genoemd, het moment bij het bespelen van mechanische orgels, waarop aan de krachtsinspanning te bemerken is, dat de ventielen de eerste wind toelaten in de cancel, waarna een geringere weerstand merkbaar is.
Koor
pijpenrij in een register. Spreken in een register verschillende pijpen gelijktijdig op een toets, dan is het register meerkorig. Zo is een Mixtuur III-sterk driekorig.
Koortoon
toonhoogte die men in oude orgels kan aantreffen. Een halve toon boven normaal. Men kende vroeger in de diverse Westeuropese landen diverse koortonen met eigen hoogten: zo kende men hoge en lage koortoon.
Kop
afsluiting van de stevel bij een tongpijp, Ih de vorm van een rond metalen of rechthoekig houten blok, waarin de tong en de lepel door een wig zijn vastgeklemd.
Koppelfluit
halfgedekte labiaalstem met verschuifbare bovencorpus; 8' of 4'.
Koppeling
inrichting waardoor het mogelijk is twee windladen door een klavier te regeren, c.q. twee klavieren vanaf een klavier te bedienen.
Koppelklavier
handklavier dat geen eigen windlade regeert, doch die van de twee andere manualen. Het wordt de laatste jaren wel eens gebouwd. (Meliskerke Zld., geref. gem. 1977). Naast voordelen heeft het ook nadelen.
Kort octaaf
het groot octaaf van een zeer oud klavier met de tonen t-D-E-F-G-A-BesB. De pijpen voor C spreken op de toets die normaal voor E gebruikt wordt. De toetsen die normaal gebruikt worden voor Fis en Gis zijn gebruikt voor de
pijpen van D en E.
Kromhoorn
tongstem niet snaterend karakter en nauwe cilindrische bekers. Meestal in 16' of 8'.
Kroppen
een bouwwijze toegepast bij pijpen, die te lang zijn voor de beschikbare ruimte; ze worden dan "gekropt", d.w.z. een gedeelte van het corpus wordt onder een hoek van 45° afgesneden, c.q. afgezaagd, vervolgens een halve slag om zijn lengteas gedraaid en opnieuw bevestigd; het corpus heeft nu een hoek van 90° gekregen.
Labiaalpijpen
genoemd naar hun (boven) labium of lip, waardoor de pijp spreekt; ter onderscheiding van tongpijpen.
Labium
het tussen corpus en voet vlakke gedeelte der pijp, boven en onder de kernspleet (boven- en onderlabium).
Lepel
ook wel snavel of keel genoemd, hol stuk metaal, waarop de tong van een tongpijp is bevestigd en dat de wind doorlaat naar de schalbeker.
Lingualen
"Latijns" woord voor tongwerken.
Magazijnbalg
hoofdreservoirbalg met horizontaal oprijzend bovenblad, sinds het midden van de 19e eeuw algemeen toegepast in de Nederlandse kerkorgels.
Manuaalkoppeling
een koppeling, waardoor een manuaal de windlade van een ander manuaal en de eigen windlade regeert. Anders gezegd: een koppeling waardoor de toetsen van het ene manuaal die van het andere meetrekken.
Mechanische tractuur
de verbinding tussen windladen en toetsen, windladen en registerknoppen bij een mechanisch orgel.
Mechanisch kegellade-orgel
orgel, waarbij de verbinding tussen toets en kegel langs mechanische weg tot stand komt. De kegel wordt door een systeem van wellen, abstracten en winkelhaken opgelicht . U itgevonden door de Dui tse orgelbouwer E. F. Walcker. Mechaniseh sleeplade-orgel, orgel, waarbij de verbinding tussen register en sleep en tussen toets en speelventiel langs mechanische weg tot stand komt, d.m. wellen, abstracten en winkelhaken.
Meechelse maat
de in 1864 te Mechelen vastgestelde maat van het pedaal van C tot f' = 110 cm en van C tot d' = ca. 97 cm.
Membraam
lederen zakje, dat onder druk van de orgelwind de kegel optilt.
Mensuur
maten, waaraan pijpen moeten voldoen om een eigen karakteristieke klank voort te brengen; doorsnede maat van een pijp in verhouding tot de corpuslengte. Ook de breedte van het labium en de opsnede, de breedte en dikte van de tong bij tongpijpen behoren bij de mensuurbepaling.
Middentoonstemming
stemming uit de Renaissance met 8 zuivere grote tertsen en een weinig onzuivere quinten, terwijl de quint gis-es totaal onbruikbaar is: de wolfsquint. Ze werd ook in de Barok gebruikt.
Mixtuur
meerkorige, repeterende vulstem.
Musette
tongwerk met conische bekers, enigszins verwant geacht met de klank van een doedelzak. 8'.
|