Vaktermen



> Vaktermen A t/m C

Vaktermen N t/m R

> Vaktermen D t/m I
> Vaktermen J t/m M Nachthoorn
> Vaktermen N t/m R wijdgemensureerde, conische fluitstem; 4', 2' of 1'.
> Vaktermen S
> Vaktermen T t/m Z Nasard

enkelvoudige vulstem, meest conisch van vorm; 2 2/3' of I 1/3'. Nevenwerk

windlade met pijpwerk en mechaniek, geregeerd door een eigen klavier. Het bevindt zich op het zelfde niveau als het hoofdwerk, of vormt daarmee een lade.

Octaaf
labiaalstem. Octaaf van een lagere prestant. In de manualen gewoonlijk als 4', 2' en 1'; in het pedaal als 8', 4' en 2'.

Onderlabium
vlak gedeelte van de pijpvoet onder de kernspleet.

Onderpositief
windlade met pijpwerk en mechaniek, geregeerd door een eigen klavier. Het bevindt zich bij balustrade-orgels en tweeklaviers positieven onder de hoofdwerklade.

Opgeworpen labuim
labium dat in frontpijpen wordt gesoldeerd en dat tevens als ornament dienst doet.

Opslaand tongwerk
tongpijp waarbij de tong op de lepelrand slaat.

Opsnede
afstand tussen onderlabium en bovenlabium; deze afstand is mede bepalend voor de klank van de pijp.

Orgelmetaal
mengsel van tin en lood, in verschillende samenstellingen, gebruikt voor het vervaardigen van orgelpijpen.

Overblazende pijp
zie Flute harmonique.

Pedaalkoppel
een koppel(ing), waardoor het mogelijk is door het pedaal, behalve de pijpen op de pedaalwindlade, ook de gelijknamige pijpen op de manuaallade(n) te laten spreken.

Positief
afgeleid van ponere (Lat.)= neerzetten. Klein orgel dat zonder algehele demontage verplaatst kan worden. Veel koororgels waren en zijn positieven. Ook rugpositief of borstwerk bij grotere orgels.

Prestant
(prestare Lat. = vooraan staan) voornaamste labiaalstem met open, cilindrische pijpen; staat voor op de windlade en is meestal ten dele in het orgelfront verwerkt. Komt voor als 2', 4', 8' en 16', soms zelfs als 32' bij zeer grote orgels. De toon is helder en rond.

Prestantenkoor
gezamenlijke prestantregisters, inclusief vulstemmen van prestantmensuur

Pijpenhanger
de steun voor het rechtstandig houden van de grotere pijpen, ook in het front
Pijp(en)stok
dikke plank aan de bovenzijde van de windlade, die slepen en dammen afdekt en waarin de gaten zijn geboord voor plaatsing van de pijpvoeten.

Pijprooster
houten rooster, op enige afstand boven de windlade gemonteerd, om het pijpwerk in verticale stand te houden.

Pijpvoet
trechtervormig deel van een metalen pijp, beneden de kern.

Quint
enkelvoudige vulstem in presantmensuur, meest 2 2/3' en I 1/3'.

Quintadena
enge, gedekte labiaalstem, waarbij de quint als boventoon duidelijk waarneembaar is; 16', 8' of 4'.

Quintfluit
enkelvoudige vulstem van wijde mensuur, 2 2/3' en I 1/3'.

Ranket
tongwerk met samengestelde bekervorm. Iets voller van toon dan een regaal. Meestal 16'.

Regaal
tongwerk met zeer korte schalbeker, waardoor de klank ijl en snaterend wordt; 16' en 8'. Ook: oud toetsinstrument met uitsluitend kortbekerige tongpijpjes.

Regeerwerk
de verbinding tussen klavieren, registerknoppen enerzijds en windladen anderzijds.

Register
ook wel stem genoemd, rij pijpen die door hun klankkleur een eenheid vormen.

Registercancel
zie Cancel.

Registercancellade
windlade, welke verdeeld is in evenveel vakken (cancellen) als er stemmen (registers) zijn.

Regulateur(balg) of regelbalg
kleine balg, geplaatst tussen elektrische ventilator en windlade, met het doel bij overgangen van groot op klein windverbruik en omgekeerd, de windtoevoer te regelen. Ook uitgevoerd als beweegbare lade-bodem.

Repeterende vulsteen
meerkorige vulstem, die wegens hoge ligging meermalen een oktaaf of een quint moet terugvallen, zoals de Mixtuur of de Scherp. Andere dan genoemde repetities komen ook voor.

Resultantbas
een akoestische stem. Bijv.: op C spreken twee pijpen, nl. een 16' en een 10 2/3' pijp; zij kunnen ook beschouwd worden als eerste en tweede boventoon van de grondtoon contra-C. Deze grondtoon, een 32'-toon wordt dan waarneembaar als differentietoon. De Resultantbas werd een tijdlang in de dispositie opgenomen als register. Zie ook Differentietoon

Roerfluit
halfgedekte labiaalstem van helder karakter. De in de hoed aangebrachte buis (het roer) bevordert deze helderheid d.m.v. zekere boventonen.

Rugpositief
ook rugwerk genoemd, windlade met pijpwerk en mechaniek, geregeerd door een eigen klavier. Het is in een aparte kas achter de rug van de bespeler geplaatst. Ruispijp, samengestelde vulstem, 2 2/3' 2'. Soms meer dan tweekorig (met terts); niet repeterend.


> vaktermen S


is een initiatief van Stichting Muziek Promotie Nederland
tips | contact | adverteren | bronnen | algemene voorwaarden