|
|
meerkorige vulstem. Zulk een vulstem heeft voor elke toets twee of meer pijpen van verschillende hoogte.
Schalbeker
bovengedeelte van een tongpijp, dat de door de trillende tong ontstane toon draagkracht en gewenste timbre geeft.
Schalmei
tongwerk met trechtervormige of samengestelde bekervorm; in 8' of 4'. Als 4' vaak als pedaalstem in moderne orgels.
Scherp
samengestelde, repeterende hoge vulstem; prestantmensuur.
Secreet
windlade (term uit vroeger eeuwen).
Secretaire-orgel
antiek huispijporgel met het uiterlijk van een laat-achttiende-eeuwse of 19e-eeuwse secretaire.
Sesquialter
samengestelde vulstem in prestantmensuur, 2 2/3'-1 3/5', al of niet repeterend.
Sifflet
cilindrische, open labiaalstem in normale of wijde mensuur, meestal 1'.
Sleep
schuif met gaten, die passen tussen de gaten in de bovenkant van de cancellen en die in de pijpenstok.
Sleeplade
windlade, waarin slepen. Trekt men een register uit, dan verschuift de sleep, waardoor de wind, bij geopend speelventiel, door de gaten in de pijpen kan stromen. Slotel, ook wel sleutel, toets (term uit vroeger eeuwen). Engels: key.
Snavel
zie Lepel.
Sordun
tongwerk met samengestelde bekervorm; als pedaalstem gebruikt in 16' in kleine moderne huisorgels waar geen plaats is voor een labiale 16'.
Spaanbalg
balg, waarvan het onderblad op de balgstoel is bevestigd. Het bovenblad is bevestigd aan een der kortste zijden van het onderblad. De drie zijden zijn voorzien van vouwen, gemaakt van dunnen houten borden of "spanen" en met stroken leer beplakt. Spaanse ruiters ("heksen"), groeven onder piipenstok en sleep aangebracht; noodoplossing om bijspraak te verhelpen: de wind wordt weggevoerd (via de groef) van de pijp die ongewenst meesprak; deze wind gaat echter verloren.
Speelfluit
heldere fluitstem, soms conisch, soms gedekt of halfgedekt; 8' en 4'.
Speelventiel
ventiel dat de wind uit de ventielenkast (kleppenkast) doorlaat naar de tooncancel. Het wordt geopend door het
neerdrukken van de toets.
Spie
wigvormig stukje hout, waarmede de tong op de lepel wordt vastgeklemd. Spitsfluit, conische fluitstem; 8' en 4'.
Spitsgamba
conische open labiaalstem van enge mensuur, waardoor een volle, strijkende toon ontstaat; 8'.
Sponsels
houten stroken, die de boven- en/of onderkanten van de cancel afsluiten . Tegenwoordig ziet men veel vaker afsluiting van de bovenkanten door een plaat hechthout die onder gelijkmatige druk opgelijmd werd.
Springlade
historische windlade, ongeveer gelijk met de sleeplade ontstaan, doch door deze verdrongen. Heeft in plaats van slepen, in de tooncancellen ventielen met veren onder de toongaten. Bij het "trekken" van een register drukt een
regel deze ventielen (van eenzelfde register) d.m.v. drukpennen neer. Bij enig defect aan een ventiel diende al het pijpwerk van de lade genomen te worden om deze te openen.
Sprekend front
orgelfront, waarvan de pijpen aangesloten zijn op de windlade.
Spucken
met dit Duitse woord bedoelt men het met hoge bijtoon aanspreken van een pijp. Ca. 1960 in de mode, 15 jaar later niet meer nagestreefd.
Staartklavier
klavier, bestaande uit toetsen waarvan het steunpunt (draaipunt) zich aan het achtereind (staart) van de toets bevindt.
Stem
zie Register.
Stemgang
stempad, smal pad in het orgel om bij de pijpen te kunnen komen.
Stemhoorn
pokhouten of messing (brons) gereedschap, waarmee labiaalpijpen worden gestemd.
Stemkruk
metalen staafje op de tong bij een tongpijp, dat de vrije lengte van de tong regelt, waardoor het mogelijk is de pijp te stemmen.
Stemkrul
zie Stemrol.
Stemlap
steminrichting in frontpijpen, aangebracht door insnijding in het corpus. Ook wel gebruikt voor stemklep: metalen plaatje, aangebracht bovenaan de kleine houten pijpen.
Stemmen
veranderen van het trillingsgetal van de pijp of tong.
Stemming
temperatuur, de wijze van verdeling van het komma over de intervallen in een oktaaf.
Stemring
een metalen ring, die zich door de veerkracht van het metaal om de pijp klemt. Door deze stemring omhoog of omlaag te tikken wordt de pijp gestemd. Wordt thans minder toegepast dan enige decennia terug.
Stemrol
een gedeelte bovenaan de open labiaalpijpen, dat wordt ingesneden en opgerold. Door deze rol uit- of op te rollen stemt men de pijp.
Slemschuif
schuif bovenaan de grote, open hou ten pij pen aangebracht, die wordt gebruikt om de pijpen te stemmen.
"Sterk"
de grootte van het aantal koren bij vulstemmen.
Stevel
ook wel huis genoemd, de ruimte waarin bij een tongpijp de kop met lepel en tong zijn geplaatst.
"Strijkers"
open labiaalpijpen van enge mensuur, waardoor de hogere boventonen t.o.v. de grondtoon zo ontwikkeld zijn, dat ze een klank geven, enigszins verwant geacht de klank van strijkinstrumenten
Subbas
gedekte pedaalstem, 16', meestal van hout.
Superoctaaf
Prestant (2), twee octaven boven de werkbasis (van 8').
Systeem
aanduiding van het tractuurprincipe, waarnaar het orgel is gebouwd (mechanisch-, pneumatisch-, etc.).
|