|
|
|
Ontwikkeling van de strijkinstrumenten
Het ontstaan van de strijkersfamilie dateert ongeveer uit de tweede helft van de 16e eeuw (precise datum is niet bekend). In Europa werden echter tijdens de middeleeuwen reeds andere strijkinstrumenten bespeeld. Drie daarvan hadden een beslissende invloed op de de ontwikkeling van de vioolfamily: de rebec, de vedel en de Lira de Braccio.
Het eerste als viool herkenbare instrument verscheen rond 1550. De eigenlijke uitvinder van de viool is niet bekend, wel weten we dat enkele van de oudste violen, altviolen en celli het werk zijn van twee italianen: Gasparo da Solo (1540-1609) en Giovanni Paoli Maggini (1580-ca.1632), beiden afkomstig uit Brescia. Deze instrumenten hadden dikke, vrij losse snaren, die een zachter en doffer geluid gaven dan de moderne instrumenten.
> geschiedenis per strijkinstrument
|
|
|
|
De ontwikkeling van de vioolbouw
Ongeveer in dezelfde tijd begon Andrea Amati (1505-1580) zijn beroemde
ateliers in Cremona. Zijn werk werd later voortgezet door zijn zoons; zijn kleinzoon Nicola (ac. 1596-1684), was de bekwaamste vakman van de familie. De Amatis verhelderden de toon van de viool en gaven het de bekende vorm. Zij maakten het instrument platter, versmalden de taille, maakten de hoeken scherper, verhoogden de snaarspanning en verbeterde de lak. Nicola Amatis belangrijkste leerling, Antonio Stradivari (ca. 1644-1737), werkte ook in Cremona. In de loop van zijn lange leven heeft hij de ontwerpen van zijn instrumenten enkele malen gewijzigd, maar in 1898 kwam hij tot een model van 35 cm lengte en een breedte van 20 cm. Naar dit basismodel zijn de meeste van zijn beste violen gebouwd. Stradivari had een belangrijke concurrent in Cremona: Guiseppe Guarneri del Gesù (1698-1744).
Omstreeks 1800 hadden de vioolbouwers in de bouw van hun instrumenten verschillende kleine maar belangrijke veranderingen aangebracht. De kam werd hoger, de snaren werden dunner en met een grotere spanning vast gezet om de toon te verbeteren. De zangbalk werd verlengd en versterkt om de grotere spanning te kunnen opvangen, de hals en de toets werden langer meer achterover gebogen en bij het schroefkastje versmald om snel vingerspel te vergemakkelijken. Ook werd een kinsteun toegevoegd zodat de bespeler het instrument steviger kon vasthouden. Tegenwoordig worden deze toepassing in de vioolbouw gebruikt.
|
|
|
|
Ontwikkeling van de strijkinstrumenten in het orkest
Ongeveer 350 jaar geleden moest de lange periode van polyfonie muziek (muziek waarbij iedere stem een eigen melodisch patroon volgt) wijken voor de homofone muziek (hier wordt één melodiestem ondersteund door akkoorden). Deze verandering stelde andere eisen aan de klankkleur van een orkest: meer helderheid van klank, waaraan de violas niet meer konden voldoen. De violen gingen van nu af aan de violas in de orkesten vervangen. De ontwikkeling van de strijkinstrumenten in het orkest vormt een belangrijk onderdeel van de muziekgeschiedenis in het Westen, zowel wat de componisten als de uitvoerende betreft. Hier zijn drie belangrijke redenen voor: ten eerste kunnen de violen, altviolen, celli en contrabassen door hun verscheidenheid aan speeltechnieken een enorm scala van klankverfijningen verwezenlijken. Ten tweede vullen de toonkwaliteiten van deze vier instrumenten elkaar aan, waardoor zij een goed constraterende achtergrond voor de andere instrumenten vormen. Ten derde maakt het gebruik van de strijkstok de bespelers het mogelijk om de toon aan te houden en de klankkracht te beheersen.
|